Het tijdschrift daele: oorsprong

daele is een voortzetting van de progressieve zwarte tak van het tijdschrift Yang, een jongerentijdschrift dat in 1963 opgericht werd door D. Bru, P.D. Tanguy, R. Serras, L. Michaël en J.E. Daele in de context van de Rijksnormaalschool te Gent. In 1965 viel Yang uiteen door redactionele spanningen in een progressieve zwarte en een conservatieve gele tak. Van de zwarte Yang zullen vijf nummers verschijnen: 12, 13, 14, 15a+15b en 16. Jan Emiel Daele benadrukte steeds de oorsprong van het tijdschrift daele. Naar deze vijf nummers wordt in elk nummer van daele verwezen in het redactionele informatieblokje. Naast de oorsprong van het tijdschrift vinden we er ook puur praktische informatie, zoals de kostprijs, het redactieadres, het volgende moment van verschijnen en informatie voor abonnees en auteurs, bijvoorbeeld met betrekking tot het vernieuwen van het abonnement of de verwachtingen die Jan Emiel Daele heeft ten opzichte van de medewerkers, zoals:

- Ieder auteur is verantwoordelijk voor zijn kopij
- De inzendingen moeten getikt opgestuurd worden
- Elk schrijven en elke inzending wordt beantwoord en/of   
  teruggezonden indien retoerporto ingesloten is.        
  (daele 1 1966: 2)

 

In het eerste nummer van daele geeft Jan Emiel Daele eenmalig uitleg bij het oprichten van zijn eigen tijdschrift. Daele schrijft dat hij behoefte heeft aan een eigen tijdschrift waarmee en waarin hij zijn eigen ding kan doen. Hij wou vrij zijn en had nood aan een eigen publicatiekanaal waarin hij zichzelf, zijn literaire voorkeur, maar ook zijn eigen literatuur kon positioneren. Hieruit volgt dat daele een eenmanstijdschrift werd. Jan Emiel Daele deed alles alleen. Hij was de redacteur, de uitgever, de secretaris, de drukker en in vele gevallen ook de leverancier. Of dit de enige reden was voor het oprichten van een nieuw tijdschrift, kan echter in vraag getrokken worden. Er is namelijk eerder sprake van continuïteit tussen de twee tijdschriften. Zowel de structuur, het logo als het redactieadres zijn behouden en ook op inhoudelijk vlak is er een doorwerking. In de eerste nummers van daele vinden we bijvoorbeeld hoofdstukken van teksten waarvan het eerste hoofdstuk in Yang 16 verschenen zijn, zoals ‘jullie en Ik’ van Jan Emiel Daele en ‘Elke profeet een bastaard’ van Herwig Leus. Daele had ook het doelpubliek van YANG voor ogen. Het eerste nummer van daele werd alle YANG-abonnees gratis toegestuurd. Op vlak van vormgeving is er wel een duidelijk verschil. Daele oogt minder luxueus. Waar YANG een gedrukt en gebonden tijdschrift was in A5-formaat, is daele een gestencild tijdschrift geworden in A4-formaat waarvan de bladzijden aan elkaar geniet zijn. Over dit vormverschil is er in daele niets te lezen. De overgang zou dan ook eerder uit noodzaak geweest zijn. In Bulkboek schreef Jan Emiel Daele:

Ik moest wegens geldgebrek overschakelen op een gestencild blad dat ik meteen daele noemde, helemaal alleen, recht door zee, zelfs niet bewust van enige arrogantie wat aan dit simpel ideetje kleefde.
(Daele, J.E. (1975). ‘Toen ik nog iets durfde te doen zonder veel na te denken: daele (1966-1968)’. Bulkboek 4 (44), 3.)

Het oprichten van daele is dus niet louter gebaseerd op literaire noden en poëticale standpunten, maar moet ook in verband gebracht met de financiële situatie van Jan Emiel Daele die naar verluid instond voor de drukkosten van Yang.