Hadewijch en de nieuwe mystiek

Na de herontdekking van Hadewijch’s werk in 1838, kregen haar teksten in de loop van de negentiende eeuw steeds meer bekendheid. In Nederland speelde de dichter Albert Verwey een cruciale rol in de verspreiding van haar werk. Hij voerde Hadewijch op in zijn poëzie en prozateksten, vertaalde haar visioenen, recenseerde de aan haar gewijde studies en besteedde in zijn literatuurcolleges aandacht aan haar teksten. Verwey ontwikkelde in zijn geschriften een eigenzinnige visie op Hadewijch die gekleurd was door de opvattingen over de nieuwe mystiek van het Nederlandse fin de siècle.

 

 

Aan het einde van de negentiende eeuw ontstond er in Europa een veelvormige beweging die wordt aangeduid als de ‘nieuwe mystiek’. Deze nieuwe mystiek was geen artistieke of filosofische stroming, maar veeleer de uitdrukking van een nieuw levensgevoel dat in het fin de siècle tot uiting kwam.

De categorie van ‘het mysterieuze’, die met de intrede van de moderniteit in de verdrukking was geraakt, kreeg nu weer volop aandacht binnen intellectuele kringen. Kunstenaars, schrijvers en academici gingen in die periode op zoek naar de geheimzinnige wereld achter de materiële werkelijkheid. Ze lieten zich hierbij inspireren door symbolen en figuren uit de traditionele kerkelijke mystiek.

 

Albert Verwey

Foto van Albert Verwey in 1888 door J. Jessurun de Mesquita.

Handschrift van de inleiding van: Albert Verwey. De Vizioenen (1922)

Handschrift van het voorwoord dat Verwey schreef voor zijn vertaling van de visioenen van Hadewijch.

Albert Verwey. De Vizioenen (1922)

Albert Verwey. De Vizioenen. Antwerpen: De Sikkel, 1922.

Verwey en de nieuwe mystiek

Ook de Nederlandse dichter Albert Verwey liet zich in de loop van zijn literaire carrière inspireren door de nieuwe mystiek. Verwey werd in 1865 geboren als de zoon van een Amsterdamse meubelmaker. Tijdens zijn studentenjaren leerde hij de dichter Willem Kloos kennen, die later zijn mentor werd. Hij sloot zich in het begin van zijn literaire carrière aan bij de Tachtigers, een vernieuwingsbeweging binnen de Nederlandse literatuur die begin 1880 vorm kreeg. Pure schoonheid was het speerpunt van hun literaire programma.

In 1900 echter ruimde Verwey de l’art pour l’art-doctrine van de Tachtigers in voor een nieuwe poëtica. De opvattingen uit de nieuwe mystiek kregen op dat moment een plaats binnen zijn oeuvre. Verwey beschouwde de kunstenaar nu als de vertolker van een eeuwige waarheid. Via de poëzie wist de ware kunstenaar door te dringen tot de kern van het bestaan, die zich schuilhoudt achter de materiële werkelijkheid. De dichter schouwde het verborgene en was op die volstrekt areligieuze manier ‘mysticus’.

 

Verwey en Hadewijch: het begin

Simultaan met zijn nieuwe literatuuropvattingen, ontwikkelde Verwey een diepgaande fascinatie voor de dertiende-eeuwse mystica Hadewijch. In zijn brieven, gedichten, prozateksten en literatuurcolleges besteedde hij veel aandacht aan haar mystieke teksten. Ook begon hij in 1917 aan een moderne Nederlandse vertaling van Hadewijchs visioenen die hij in afleveringen publiceerde in het tijdschrift De Beweging.

Wat Verwey vooral in Hadewijch bewonderde, was de hartstocht waarvan haar teksten zijn doordrongen. In de inleiding van De vizioenen (1922) schreef hij dat ze ‘een temperament als geen tweede en een kunstenares als weinigen’ is. In zijn ogen sloten haar geschriften perfect aan bij zijn poëtica van de nieuwe mystiek.

Hadewijch drong volgens hem door tot de kern van het bestaan dat hij ‘Leven’ noemt. Hij beschouwde haar dan ook in de eerste plaats als dichteres, de historische figuur van Hadewijch en het christelijke karakter van haar teksten interesseerden hem aanvankelijk minder.

 

Verwey en Hadewijch: na Van Mierlo

Na een tijdje zou Verwey zijn eenzijdige visie op Hadewijch nuanceren. In 1921 ontmoette hij de Vlaamse jezuïet Jozef van Mierlo. Deze laatste overtuigde Verwey van het feit dat Hadewijch niet enkel dichteres was, maar ook een religieuze schrijfster. De literariteit en spiritualiteit van haar teksten waren volgens de jezuïet in essentie met elkaar verweven. Zonder rekening te houden met deze theologische component kon haar werk niet worden begrepen.

Uiteindelijk werd Verwey het eens met van Mierlo. Vanaf 1922 hield hij in zijn publicaties over Hadewijch duidelijk meer rekening met haar mystieke leer als sleutel om door te dringen tot de kern van haar geschriften. Zo paste hij de eerste versie van zijn inleiding op De vizioenen in 1922 aan en beklemtoonde hij tijdens zijn literatuurcolleges aan de universiteit van Leiden het belang van haar religiositeit voor het begrip van haar teksten.

Toch bleef Verwey Hadewijch ook na zijn ontmoeting met van Mierlo in de eerste plaats zien als een passionele dichteres. De betekenis van haar teksten lag eerder in de hartstochtelijke beleving van gevoelens dan in de inhoud ervan. In 1924 scheef hij: ‘Zij was een groot menschekind, bovendien dichter en kunstenaar. Als zoodanig moet ze erkend en verstaan worden’.