De dominante poëtica worden “verradard”

Radar: Herman De Coninck en Pierre Darge

Darge in gesprek met De Coninck

Tot slot heeft Radar ook aandacht voor andere poëziestromingen dan het experiment en de visuele poëzie. Als dat niet het geval was, zou het motto “tast naar alles in de literatuur, maatschappij en kunst” de inhoud niet dekken. In dit onderdeel focust de tentoonstelling op het nieuw-realisme teneinde de bredere belangstelling van het tijdschrift te belichten. Aan de hand van twee concrete voorbeelden uit Radar leggen we in dit deel uit dat het nieuw-realisme weldegelijk aanwezig is in het tijdschrift, maar dat die dominante poëziestroming beoordeeld wordt vanuit experimenteel standpunt.

 

Een interview met Herman De Coninck

Aangezien Radar “tast naar alles wat leeft in de literatuur”, kan een interview met de opkomende nieuw-realistische dichter Herman De Coninck niet uitblijven, maar stelt de redactie zich dan ook sceptisch op tegenover een “niet-experimentele” dichter? Het interview door Pierre Darge (1978: 47-56) lijkt willekeurig en onverschillig geplaatst in het themadubbelnummer 11/12 over de Duitstalige literatuur in België. Het gesprek opent met een duidelijk statement van De Coninck, waarmee hij zich meteen positioneert als anti-experimenteel: “Die begrijpelijkheid, dat is een reactie tegen de experimentelen en tegen hun retoriek van alles mag, want wij-zijn-dichters” (Darge 1978: 47-48). Een eventueel gedeeld engagement met de visuele poëzie ziet De Coninck niet omdat hij daar de poëzie niet geschikt toe acht. Toch is de vraag van Darge over het engagement in nieuw-realistische poëzie enigszins verbazingwekkend. Hij stelt die gerichte vraag namelijk vanuit zijn Radar-achtergrond, omdat het engagement voor dat periodiek wel nodig, belangrijk en actueel is. Het nieuw-realisme staat haaks op de idealen die Radar verdedigt, maar het interview met De Coninck probeert een brug te slaan tussen de twee, al gebeurt dat vanuit een experimentele ooghoek.

 

Een concreet voorbeeld van een gedicht

Een tweede voorbeeld van de Radar-kritiek op het nieuw-realisme is het gedicht ‘De neo-realisten’ van Van der Hoeven (1975: 48). Inhoudelijk verwijt hij de neo-realisten dat zij allemaal gevangen zitten in hun poëzie, omdat zij hun tijd gemist hebben, of ‘achter het net visten’. Hiermee bedoelt hij dat ze geen vernieuwing brengen zoals de neo-experimentelen, die niet verder bouwen op een sinds lang bestaande traditie, wat de nieuw-realisten wel doen. Zij misten hun moment en schrijven in de verkeerde periode. In zijn gedicht bedient Van der Hoeven zich van een eenvoudige taal en beroept zich dus op de verstaanbaarheid waar De Coninck zo op wees in het interview (Darge 1978). Dat is natuurlijk enerzijds een ironische kwinkslag naar de neo-realisten, die zich afkeren van het experiment, anderzijds zorgt Van der Hoeven ervoor dat de neo-realisten hem correct begrijpen omdat zijn taal niet te moeilijk is. De Coninck zei namelijk in het gesprek met Darge (1978) dat experimentele gedichten “wel poëzie zal wezen, want ik begrijp er geen bal van”.